Zeven actuele fiscale thema's
Dit boek bundelt een aantal bijdragen over uiteenlopende actuele fiscale onderwerpen. Net zoals de bijdragen in de eerste editie, worden ook de zeven bijdragen van deze volledig nieuwe editie gebruikt in het kader van de opleiding tot ‘Master in de Fiscaliteit’ aan de Universiteit Gent of werden zij in het kader van deze opleiding geschreven.
1. Transfer pricing
De problematiek inzake ‘transfer pricing’ staat vandaag hoog op de agenda. Ook op deze van de Belgische fiscus. Denk maar b.v. aan de aparte ‘controlecel verrekenprijzen’ die recentelijk het levenslicht zag alsook aan de recente circulaire waarin aan de belastingambtenaren wordt uiteengezet hoe zij een ‘transfer pricing’-controle moeten aanpakken.
De kerngedachte van de problematiek is dat om fiscaal aanvaardbaar te zijn, de winst uit een intragroep transactie moet voldoen aan de zogenaamde ‘at arm’s length’-standaard. Daartoe moet men nagaan welke prijs ‘onafhankelijke’ ondernemingen zouden aanrekenen voor dezelfde transactie. Om deze prijs vast te stellen, moeten voor de fiscus aanvaardbare ‘vergelijkingspunten’ worden gezocht. Over deze - in de praktijk verre van gemakkelijke - zoektocht handelt de eerste bijdrage.
2.
Aftrek voor octrooi-inkomsten
De Programmawet van 27 april 2007 heeft in de vennootschapsbelasting en de belasting van niet-inwoners voor vennootschappen een nieuwe aftrek ingevoerd, de ‘aftrek voor octrooi-inkomsten’. Binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen kunnen daardoor vanaf aanslagjaar 2008 hun belastbare basis verminderen met 80 % van hun inkomsten uit octrooien.
Wie komt precies in aanmerking ? Welke inkomsten uit octrooien zijn bedoeld ? Vanaf wanneer kan de aftrek worden toegepast ? Hoe wordt de aftrek berekend ? Welke formaliteiten moeten worden vervuld ? Op deze en andere vragen biedt de tweede bijdrage een antwoord.
3.
Zelfstandigheidsfictie en vaste inrichtingen
Wanneer men te maken heeft met een vaste inrichting van een buitenlandse onderneming is de fiscale kernvraag welke winst aan de inrichting ‘toerekenbaar’ is. Het is immers met betrekking tot deze winst dat België heffingsbevoegd is.
Om de winst toerekenbaar aan de inrichting vast te stellen, gaat men in beginsel uit van de ‘zelfstandigheidsfictie’ : men doet alsof de inrichting ‘in zekere mate’ een zelfstandige onderneming is. In welke mate dat precies is, wordt per categorie van opbrengsten en kosten onderzocht in de derde bijdrage. Tevens wordt ingegaan op de heikele vraag of de zelfstandigheidsfictie ook speelt in de omgekeerde situatie (Belgische onderneming met een buitenlandse inrichting).
4.
Rechterlijke controle over fiscale sancties
Sinds ongeveer negen jaar aanvaardt ook het Hof van Cassatie dat fiscale administratieve sancties een strafrechtelijk karakter kunnen hebben. Het gevolg daarvan is dat de belastingplichtige een beroep moet kunnen doen op een rechter die ‘met volle rechtsmacht’ over de sanctie kan oordelen. Hoe ver reikt deze ‘volle rechtsmacht’ precies ? Mag de rechter b.v. de sanctie ook aan het evenredigheidsbeginsel toetsen ? En mag hij tevens een opportuniteitscontrole uitvoeren ?
In de vierde bijdrage wordt onderzocht welke positie het Hof van Cassatie op dit vlak inneemt. Eerst aan de hand van de twee ‘basisarresten’ van 1999. Vervolgens aan de hand van de verdere evolutie in de cassatierechtspraak tijdens de jongste jaren. En telkens getoetst aan de zienswijze van het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
5.
Ontslagvergoedingen in een internationale context
Waar betaalt een werknemer belasting over de ontslagvergoeding die hij ontvangt in het kader van de beëindiging van een grensoverschrijdende tewerkstelling in een verdragsland ? Het antwoord moet men zoeken in het dubbelbelastingverdrag. En dat ‘zoeken’ mag men letterlijk nemen. Zo moet men vooreerst het toepasselijke verdragsartikel trachten te vinden : het artikel inzake bezoldigingen of over pensioenen of toch maar het ‘restartikel’ ? En, aangenomen dat het de regeling inzake bezoldigingen is met zijn principiële heffingsbevoegdheid voor de werkstaat, is de volgende vraag hoe deze regeling moet worden toegepast op een situatie waarin de arbeidsverhouding beëindigd is.
De vijfde bijdrage loodst de lezer doorheen deze zoektocht aan de hand van de meest actuele (inter)nationale rechtspraak en rechtsleer en de administratieve richtlijnen terzake.
6.
Inkomsten uit artistieke en literaire werken
De zesde bijdrage zet de internrechtelijke en verdragsrechtelijke behandeling van inkomsten uit artistieke en literaire werken op het voorplan. Zowel de inkomsten uit optredens komen aan bod als de inkomsten uit de exploitatie van intellectuele eigendomsrechten; waarbij de vraag rijst of deze inkomsten onder de noemer van ‘royalty’s’ kunnen ressorteren.
Ruime aandacht wordt besteed aan de zogenaamde ‘Bataafse piste’, waarbij getracht wordt de internationale belastingdruk op royalty’s te verminderen door ze om te leiden via tussenvennootschappen op de Nederlandse Antillen en in Nederland. Is dergelijke constructie haalbaar in het licht van b.v. nationale antimisbruikbepalingen en het ‘beneficial ownership’-begrip ?
7.
Registratie- en successierechten en het Europees recht
De laatste bijdrage confronteert de registratie- en successierechten met het Europees gemeenschapsrecht. Vooreerst wordt onderzocht welke Europese bepalingen precies in het kader van deze indirecte belastingen van belang kunnen zijn. Vervolgens worden concreet vijf regelingen inzake successie- en registratierechten getoetst aan hun verenigbaarheid met deze Europese bepalingen. Niet allen doorstaan zij deze toets.