Dit boek biedt enerzijds een overkoepelend denkkader om de bevoegdheidsverdeling tussen de algemene vergadering en de raad van bestuur te verklaren en te beoordelen. Dat kader wordt toegepast op zowat alle mogelijke beslissingen die een vennootschap in haar bestaan moet nemen. Het boek verduidelijkt de betekenis van begrippen zoals ‘exclusieve’ versus ‘concurrerende’ bevoegdheden, ‘zelfstandige’ versus ‘gedeelde’ bevoegdheden, ‘machtiging’, ‘exclusief initiatiefrecht’, ‘goedkeuring’, bakent de rol van de raad van bestuur af in de voorbereidings- en uitvoeringsfase van beslissingen van de algemene vergadering en onderzoekt in welke mate de algemene vergadering en de raad van bestuur wettelijk toegewezen bevoegdheden kunnen overdragen en/of delegeren.
Anderzijds legt het boek bij de beantwoording van een serie tot nog toe openstaande vragen verfijningen bloot die een houvast bieden en eenvoudig te hanteren zijn in de praktijk. Voorbeelden van zulke vragen zijn : Moet (of kan) de raad van bestuur belangrijke beslissingen voorleggen aan de algemene vergadering ? Mag de algemene vergadering zelf een beslissing nemen wanneer de wet een machtiging aan het bestuursorgaan voorschrijft ? Kan de raad van bestuur bij de voorbereiding van een besluit de mogelijke keuzes voor de algemene vergadering reeds beperken, ook al staat de bevoegdheid van laatstgenoemde vast ? Welke onderdelen van haar beslissing of uitvoeringshandelingen kan de algemene vergadering precies aan de raad van bestuur delegeren ? In welke mate kunnen de statuten afwijken van de wettelijke bevoegdheidsverdeling ?