Vennootschapsjuristen beleven historische tijden. Met de invoering van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV), ter vervanging van het Wetboek van Vennootschappen, voltrok zich in 2019 de grootste hervorming in de geschiedenis van ons vennootschapsrecht sinds Napoleon.
Het WVV creëert nieuwe mogelijkheden, maar geeft ook aanleiding tot een resem nieuwe en prangende vragen. Op 28 mei 2021 organiseerde het Jan Ronse Instituut voor Vennootschaps- en Financieel Recht (KU Leuven) een studiedag waarbij zowel professoren als praktijkjuristen op zoek gingen naar meer concrete antwoorden op basis van twee jaar ervaring met het WVV. De referaten daarvan zijn nu gebundeld in de nieuwe publicatie ‘Lessen na twee jaar WVV’ (boek nr. 28 in de ‘Reeks Vennootschaps- en Financieel Recht’).
Nieuwe, prangende vragen
Het verslagboek neemt vele nieuwigheden en vraagstukken onder de loep. Voor het eerst zijn de regels voor vennootschappen, VZW’s en stichtingen geïntegreerd in één wetboek. Het WVV transponeerde daarbij de regels inzake bestuurdersaansprakelijkheid, nietigheid van besluiten en belangenconflicten van vennootschappen naar VZW’s. Maar wat betekent dit concreet en biedt dit voldoende bescherming voor het belangeloos doel en het doelgebonden vermogen van de VZW ?
De regels voor vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid werden niet ingrijpend hervormd, maar het WVV bevestigde wel de reeds bestaande, maar nog niet unaniem aanvaarde opvatting dat ook een maatschap vermogensafscheiding kent. Aangezien deze vermogensafscheiding zich opdringt aan derden, zoals persoonlijke schuldeisers van de maten, is de vraag welke waarborgen het WVV voor hen biedt, des te pertinenter.
Voor vennootschappen met (volkomen) rechtspersoonlijkheid, brengt het WVV wel grote veranderingen teweeg. Een hoofddoelstelling van het WVV bestond in de flexibilisering van het vennootschapsrecht. Hoe maakt men in de praktijk gebruik van deze verhoogde flexibiliteit ? De toegenomen mogelijkheden om via contractuele regelingen een vennootschap naar z’n hand te zetten, in het bijzonder, maar niet alleen in de BV, hebben ook tot gevolg dat men van een BV een quasi-NV kan maken. Hoe kiest men dan nog tussen beide vennootschapsvormen en waar ligt het nut in het naast elkaar laten bestaan van beide ?
Een belangrijk punt van vernieuwing en flexibilisering dat bijzondere aandacht verdient, is de afschaffing van het kapitaal in de BV. Welk rechtskader is in de BV in de plaats gekomen van de traditionele kapitaalregels en is dat echt zo anders dan wat we kenden ? Een tweede belangrijk punt van flexibilisering is de quasi-ongelimiteerde mogelijkheden die het WVV biedt om de rechten verbonden aan aandelen en winstbewijzen te moduleren. In welke mate zullen de regels over soortvorming de pret bederven ?
Op het vlak van het bestuur van vennootschappen en verenigingen sleutelde het WVV ten eerste aan de belangenconflictenregeling. De uitbreiding van het toepassingsgebied en de sanctioneringsmogelijkheid vergen, zeker in combinatie met de verstrenging van de procedure, bijzondere waakzaamheid. Ten tweede werd de bestuurdersaansprakelijkheid onder handen genomen. Met de veelbesproken cap wenste de wetgever bestuurders meer bescherming te bieden, maar hij deed veel meer dan dat. Een aantal wijzigingen boezemde bestuurders net méér angst in, met heel wat interpretatievragen tot gevolg.
Een laatste belangrijke vernieuwing betreft de geschillenregeling. Aandeelhouders kunnen nu vooraf bindende afspraken maken over de bepaling van de prijs van de aandelen, weliswaar met een toetsingsbevoegdheid van de rechter. Zijn er grenzen aan deze mogelijkheid ? Kan de geschillenregeling terzijde geschoven worden door meer gesofisticeerde exit-regelingen ? En hoe verhoudt de geschillenregeling zich ten opzichte van een eventuele statutair in de BV voorziene mogelijkheid van uittreding en uitsluiting lastens het vennootschapsvermogen ?