Wanneer
is discriminatie bewezen? Die vraag lijkt eenvoudig, maar blijkt in de praktijk
een van de grootste struikelblokken voor een evenwichtige afdwinging van rechten.
Slachtoffers beschikken vaak niet over rechtstreeks bewijs, verweerders worden
soms geconfronteerd met het bewijs van oneindig negatieve feiten, terwijl
rechters moeten navigeren tussen Europees (gestuurd) antidiscriminatierecht,
Belgisch bewijsrecht en een versnipperde rechtspraak.
De
auteur biedt een vernieuwende kijk op een van de meest uitdagende thema's
binnen het hedendaagse antidiscriminatierecht: het bewijs. Voor het eerst
brengt zij de verschillende bewijsregels en bewijsmechanismen samen in één
coherent geheel. Ze analyseert hoe de bewijslast, bewijsstandaard, bewijswaarde,
toelaatbaarheid en geoorloofdheid van bewijsmiddelen zich tot elkaar verhouden
en ontwikkelt een systematisch beoordelingskader dat wetenschappelijke diepgang
combineert met praktische toepasbaarheid.
Met
bijzondere aandacht voor de goederen- en dienstensector, laat de auteur zien
hoe een evenwicht kan worden gevonden tussen een doeltreffende rechtsbescherming
van slachtoffers en de waarborg van een eerlijk proces voor verweerders.
Heldere schema's, handig samengebracht in een aparte bijlagenbundel, concrete
stappenplannen, diepgaande analyses en talrijke verwijzingen naar Belgische en
Europese rechtspraak maken dit werk tot een waardevol instrument voor
magistraten, advocaten, academici, beleidsmakers en andere professionals die
actief zijn in het antidiscriminatierecht en/of burgerlijk procesrecht.
In
een samenleving waarin gelijke behandeling steeds nadrukkelijker op de
voorgrond staat, is een effectieve rechtsbescherming onmisbaar. Dit boek biedt
daarvoor niet alleen een grondige analyse van het geldende recht, maar ook een
toekomstgericht kader dat bijdraagt aan een meer rechtszekere en consistente
handhaving van het gelijkheidsbeginsel.
Advocaten, magistraten, beleidsmakers, academici